Wie krijgt een auto?
Militair Gezag zoekt 600 auto's
In 1944-1946 was in het bevrijde deel van Nederland het Militair Gezag (MG) actief. De taak waarvoor het Militair Gezag in bevrijd Nederland gesteld werd, was drieledig. In de eerste plaats was het Militair Gezag handhaver van de openbare rust en orde. Verder was het belast met het onderhouden van de verbindingen tussen de Nederlandse civiele organen en de geallieerde legerautoriteiten. Ten slotte fungeerde het als voorpost van de Nederlandse regering.
Omdat vervoermiddelen schaars waren werden er veel auto's gevorderd. Niet alleen voor het MG zelf en de Binnenlandse Strijdkrachten, ook anderen deden een beroep op de organisatie om een auto ter beschikking gesteld te krijgen. De schaarste leidde soms tot onderlinge problemen tussen de instanties. Het onderstaande verhaal is daar een mooi voorbeeld van.
In het archief van de Districts Militaire Commissaris (DMC) in Tilburg zit correspondentie over een wagen waarmee chauffeur M.A. Doomen van de Stichting Centrale Financiering (SCF) op 24 februari 1945 was aangehouden. Het ging om een Chevrolet met 'D.v.O.' [afkorting van Departement van Oorlog; Redactie] op de nummerplaat. Omdat de chauffeur zonder rijvergunning reed werd de auto in beslag genomen, geheel volgens de regels van het MG. In een brief van 27 februari doet de hoofdinspecteur van de SCF zijn beklag over de inbeslagname. In de brief wordt uitvoerig uitgelegd dat de Stichting Centrale Financiering door de minister is ingesteld om de verzorging van militairen van de Binnenlandse Strijdkrachten te betalen. De auto wordt gebruikt voor dienstreizen. Doomen was de auto na een revisie aan het inrijden toen hij werd aangehouden. Verzocht wordt de auto weer aan de SCF beschikbaar te stellen.
DMC Quarles van Ufford stuurt de klacht door naar het Departement van Oorlog, dat op dat moment in Brussel resideert. "U weet, hoe weinig voertuigen er in bevrijd Nederland rondrijden," schrijft hij, "en tevens zult U wel gehoord hebben, dat daaruit nog 600 wagens verzameld moeten worden om straks aan den slag te kunnen gaan in het nog te bevrijden gebied, waar totaal geen vervoermiddelen meer aanwezig zullen zijn.
Om deze 600 wagens bij elkaar te scharrelen, hebben wij zelf reeds met de doktoren overeen moeten komen, dat zij hun belangrijke taak straks zullen moeten uitoefenen met minder wagens dan waarmede zij op het oogenblik hun patienten bezoeken. De doktoren zien de noodzaak hiervan in en zijn bereid hierin ten volle mede te werken. Dit brengt echter voor ons de plicht mee te zorgen, dat wij zelf ook met een minimum aantal wagens rondrijden.
Ik zou U daarom dringend willen verzoeken zorgvuldig te willen overwegen of het werk van cde S.C.F. zoo ingericht kan worden, dat de dienstreizen worden gedaan met behulp van het reeds bestaande busverkeer en zoo nodig door de Militaire Commissariaten, die reeds voor zoovele andere instanties in taxidienst rijden. Na ons laatste gesprek omtrent het wagenpark van Bosch en Ven [Hotel Bosch en Ven in Oisterwijk diende sinds november 1944 als regeringszetel in bevrijd Nederland; Redactie] zult U wel begrijpen, dat ik niet zonder Uw uitdrukkelijke verklaring bereid kan zijn deze wagen weer vrij te geven.
Overigens zal het U interesseren, dat de Kolonel Posthumus Meyjes [Tweede man bij het Militair Gezag na de chef-staf, generaal Kruls; Redactie] mij juist gisteren vertelde, dat Londen [waar de Nederlandse regering op dat moment zat; Redactie] ermede akkoord gaat, dat het park in "Bosch en Ven" belangrijk verminderd wordt en dat alle wagens, welke daar blijven rijden door het Militair Gezag gevorderd zullen worden en dan ter beschikking gesteld worden voor de bezoekende leden van het Kabinet.
Gaarne verwacht ik Uw berichten omtrent bovengenoemde wagen."
Een maand later schrijft de DMC in Tilburg nog een brief, ditmaal aan kolonel Posthumus Meyjes, waaruit blijkt dat de problemen nog niet voorbij zijn: "Hierbij bericht ik U, dat ik Vrijdag 23 Maart j.l. naar "Bosch en Ven" ben geweest om de mij met Uw schrijven van 26 Febr. j.l. Nr. S 2038 doorgezonden instructies uit te voeren.
De eerste moeilijkheid, welke ik daarbij ondervond, was, dat het Dept. v. Oorlog blijkbaar geen bericht heeft gezonden aan den Lt. Brouwer, dat de instructies gegeven in telegram Nr. 679 vervielen en dat de instructies gezonden met telegram Nr. 656 gehandhaafd bleven.
De volgende moeilijkheid deed zich voor in een bespreking met de eigenaars van de ter beschikking van "Bosch en Ven" gestelde wagens. Deze hielden onwrikbaar vast aan hun meening, dat hen mondeling was toegezegd, dast hun wagens ter beschikking moesten blijven tot 3 maanden na de bevrijding van geheel Nederland en in die tusschentijd niet gevorderd zouden kunnen worden. Ofschoon de heeren wel inzagen, dat zij op deze wijze een zeer bevoorrechte positie zouden innemen tegenover alle andere auto-eigenaars, wier wagens in eigendom gevorderd moesten worden door de Nederlandsche Staat en zij tevens nog steeds in het onzekere verkeeren of de reparatiekosten etc. te hunnen laste zijn of door de Nederlandsche regeering worden gedragen, gaven zij er de voorkeur aan voet bij stuk te houden in hnu beroep op de mondelinge toezegging en zij zouden zich ook niet accoord willen verklaring met een eenzijdige verbreking van de gemaakte afspraak.
Lt. Brouwer verzekerde mij, dat hij nadere instructies van het Dept. v. Oorlog verwachtte. Ik heb derhalve geen verdere stappen ondernomen. Gelukkig kon ik constateeren, dat een grooter aantal van de wagens rijklaar was dan eenige weken geleden, waarvan dan ook gebruik gemaakt werd door verschillende bezoekers. Intusschen heeft de Luit. Brouwers twee wagens laten schieten, waarvan de eene door den Bisschop van Den Bosch in gebruik zal worden genomen, terwijl de andere blijkbaar een rijvergunning van de Rijksverkeersinspectie zal krijgen voor gebruik in het rayon Waalwijk. (...)
Zoodra ik nader van den Luit. Brouwer inzake de vordering der wagens hoor, zal ik U op de hoogte brengen."
Bron: Brabants Historisch Informatie Centrum, toegangsnummer 127 Militair Gezag in Noord-Brabant, 1944 - 1946, inv. nr. 599, scans 66, 69 en 81

Reageer