N-30822
F.H.B.M. van de Laarschot
Parkstraat 6 Tilburg verstrekt 1931
Aanvullende informatie
Foto's 1 t/m 8
Deze motor was de eerste geregistreerde motorfiets van mijn vader. Het was een DKW, bouwjaar 1927 met een vermogen van 6,5 pk. Hij werd in het Duits als DGW aangeduidt. Hij had hem nieuw gekocht.
Volgende twee foto's: zijn tweede motor was een FN 500 cc. Hier op de foto met mijn moeder. De man is een kennis die op bezoek kwam. Mijn vader is te zien op de tweede foto bij de auto (met het Gelderse kenteken M-28390).
De laatste drie foto's ten slotte betreffen opnieuw de tweede motor, maar nu met zijspan. Toen er kinderen kwamen, was dat dé oplossing. Dat waren er drie in één jaar. De eerste een meisje, de tweede en derde een tweeling (een jongen en een meisje). Een hele krachttoer voor mijn moeder. Maar met z´n vieren op de motor was altijd een succes: als ze stopten dan had je altijd een oploopje. Moeder achterop, de oudste voorin, de tweeling naast elkaar, achter in het zijspan.
Foto 9
Na de twee motorfietsen kwam er een Ford Model YB. Die werd gebouwd in Keulen in 1932.
Er zijn er 11.121 stuks van gebouwd. Hij had een 4 cylinder motor, was watergekoeld, had 8 PK vermogen en 933 cc cylinderinhoud. Hij had 3 versnellingen en haalde maximaal 90 km/uur. We hebben er jaren mee gereden. Tijdens de oorlog is hij ingemetseld geweest in een dode ruimte achter een stoommachine. Daardoor is hij voor de inbeslagname door de Duitsers gered.
Foto 10
Nog een laatste foto van onze BabyFord met de hele kinderschaar erop. Ik ben de jongste van het stel en ben inmiddels 75 jaar. De foto is gemaakt toen de auto uit de schuilplaats kwam en weer is opgeknapt. We hebben er heel wat toertjes mee gemaakt. Wel bij, naar huidige normen, een moderate snelheid. De drie jongsten zaten vaak op de lange weg naar onze familie in Breda, Vught of Den Bosch op hun knietjes op de achterbank en zagen zo het deel van de weg dat we net achter ons hadden gelaten, in de verte in een verdwijnpunt verdwijnen. Daar telden we dan in een rustige secunde-takt de strepen op de weg met het volgende, zelf gemaakte gedichtje:
Stripke, stripke wor godde nor toe
Kgo nor stripke stripke toe
Ik wil wedden omne cent
dè dè twintig stripkes zen.
En dat werd dan eindeloos herhaald. Er was altijd strijd over of het er nu twintig of een-en-twintig streekjes waren. Twintig won altijd omdat dat beter pastte bij het ritme. Pap vond dat ook en die was tenslotte musicus.....
Frans van de Laarschot

Reageer