Wat zeggen de cijfers?

N-nummers nader bekeken

door Frans Kense op 10 december 2014

Autorijdend Nederland ging op 1 januari 1906 over op de provinciale nummers. Het laatste rijksnummer, nummer 2065, werd op 30 december 1905 verstrekt aan de heer Lindmueller uit Rotterdam. Die heeft daar dus twee dagen lang plezier van gehad!

Er waren dus 2.065 vergunninghouders gerechtigd om “de rijkswegen te berijden”. Maar wat was het werkelijk aantal auto’s en motorrijwielen in Nederland op 31 december 1905?

Rijvergunningen per provincie eind 1905

A  Groningen              12    0,83%

B  Friesland                10    0,69%

D  Drente                    11   0,76%

E  Overijssel                85  5,89%

G  Noord-Holland     328  22,73%

H  Zuid-Holland       423  29,31%

K  Zeeland                 16  1,11%

L  Utrecht                154  10,67%

M  Gelderland          230  15,94%

N  Noord-Brabant    112  7,76%

P  Limburg                 62  4,30%

Totaal                    1443  100%

Bekijken we eerst de CONAM-site met de 1.524 gegevens uit de periode 1898-1905. Het blijkt dat 5,3 % van de vergunningen naar het buitenland ging of niet-toegekend was en dat 7,76 % van het restant, 1.443 registraties, in Noord-Brabant is afgegeven. Als we dit percentage toepassen op het totaal aantal geregistreerde auto’s van 2.065, dan waren er tot 1 januari 1906 maximaal 152 auto’s ooit in Brabant geregistreerd. Naast Jos Bogaers, de eerste autobezitter in Nederland, zijn er meer autobezitters bekend rond 1900 die nooit hun auto hebben laten registreren. De reden? In Brabant kon men via het uitgebreide netwerk van provinciale wegen elke bestemming bereiken zonder gebruik te maken van de Rijkswegen; dus was registratie niet strikt noodzakelijk.

Op 1 april 1906 waren er in Brabant 396 nieuwe N-nummers verstrekt en op 1 juli 509. Het aantal registraties steeg daarmee van ca. 152 vanaf eind 1905 naar 396 in drie maanden tijd! Deze toename van ruim 240 kentekens was ongetwijfeld deels voor nu pas geregistreerde motorrijwielen en deels voor niet eerder geregistreerde auto’s.

Motorfietsen waren door hun relatieve eenvoud populair. Behalve de fabrieksmerken, was er ook een aantal smederijen en fietsenmakers die zelf eenvoudige motorfietsen maakten. Het blijft speculeren hoe de verdeling was tussen auto’s en motorrijwielen in 1906. Was dat toen ook al 1:1, zoals uit de landelijke cijfers van 1909 valt op te maken?

Ik heb geprobeerd om een inzichtelijk overzicht te krijgen in de groei van de Brabantse N-nummers over de jaren 1906 tot 1951, dat afsloot met N-99191. Hier is de groei weergegeven in perioden van vijf jaar.

Noord-Brabantse N-nummers 1906-1950

5-jaars periode    Toename N-nummers  Groeipercentage

1906/1910           1.080

1911/1915           1.720                            159%

1916/1920           3.600                            128%

1921/1925          9.500                             148%

1926/1930        12.600                               80%

1931/1935        14.800                               52%

1936/1940        16.000                               37%

1941/1945        15.400                              26%

1946/1950        24.500                              33%

Met uitzondering van de jaren van de Tweede Wereldoorlog is het aantal N-nummers per periode regelmatig en snel toegenomen. Twee perioden vallen hierbij op. Allereerst de periode 1931-1935. Na de Amerikaanse beurskrach van 1929 is de wereldeconomie in het slop geraakt. In de sociaal-economische beschrijvingen van die periode spreekt men van economische ellende als hoge werkloosheid en bedrijfsfaillissementen. De hogere inkomensklasse en het bedrijfsleven in Brabant heeft het in die vijf jaar toch niet zo slecht gehad, gezien de toename van het aantal kentekens met meer dan 50%!

Daarnaast de periode 1941 t/m 1945. Ondanks de oorlogstijd toch een toename van 15.400 kentekens. Als je daarop inzoomt, wordt het beeld duidelijker: de eerste vier jaar, tot 1 januari 1945, nam het aantal toe met 1.600. Alleen het jaar 1945 is goed voor 13.800 stuks! Dat is ruim 80% van de toenmalige piek, de 5-jaarlijkse periode 1935-1940. Het jaar 1945 is daarmee het absolute topjaar geweest in het aantal verstrekte N-nummers. Waar dit hoge aantal auto’s van 13.800 auto’s vandaan is gekomen? Het gaat deels om door de bezetter achtergelaten voortuigen, deels om her en der verborgen vooroorlogse auto’s, maar ongetwijfeld voor het merendeel om nieuwe verkochte auto’s en auto’s die door de bevrijders verstrekt waren.

De groeipercentages van het aantal N-nummers in de besproken 45 jaar zullen niet wezenlijk verschillen met die van de overige provincies. De grote uitzondering is ongetwijfeld Noord-Brabant in de periode 1941 t/m 1945. Opmerkelijk is verder dat de gemiddelde groei van het aantal kentekens over de periode 1906-1951 12% per jaar bedroeg, dat is acht keer sneller dan de bevolkingsgroei!

Door bezoekers

Het verhaal gaat dat mijn opa (en naamgenoot) de 1e (ingevoerde) Opel heeft gehad. Ik heb er een foto van. Ik schat dat hij deze heeft gehad van ± 1925 tot ± 1935. Het was een dichte zwarte wagen met het reservewiel op de treeplank schuin boven het voorwiel.
Woonde op de Aalsterweg in Eindhoven.

Geachte heer Van Iersel,

We zijn best benieuwd naar die foto! Vriendelijjke groet,

Het record aantal nieuwe kentekens in 1945 zat hem in het feit dat de overheid een groot aantal voertuigen gekocht had om te verdelen over het land nadat het gehele land bevrijd was. Brabant was samen met Limburg al bevrijd. Een groot aantal brandweerwagens uit deze aankopen stonden al klaar met Brabantse kentekens om meteen afgeleverd te worden aan brandweerkorpsen in het land nadat ze bevrijd waren. Men was op de hoogte dat er veel verloren was gegaan. En het waren natuurlijk niet alleen brandweerwagens, maar ook voertuigen die als nood-autobussen konden worden ingezet.

Mijn vraag is, of het ergens na te gaan is wie de eerste opel - voor de oorlog - rond 1920, schat ik, heeft gekocht of er mee reed. Volgens overlevering zou mijn opa de eerste opel hebben gehad.

Reageer