De stoomwagen van de RTM

Aangekocht in Brabant

door Bas van der Heiden op 27 juli 2022

Inleiding

In 1913 kocht de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM) voor de besteldienst van de stoomtramwegen te Rotterdam een tweedehands stoomwagen. [1] In de jaarverslagen die daarna verschenen stond bij het Wagenpark slechts vermeld: 1 stoomwagen. In 1918 werd de stoomwagen voor het laatst in het jaarverslag vermeld. [2] Wat daarna met deze stoomwagen, die het nummer RTM nr. 1 kreeg, gebeurde, is niet bekend. We duiken in de geschiedenis van deze stoomwagen.

Uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant d.d. 15 augustus 1907: [3]
Uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant d.d. 15 augustus 1907: [3]

Machinefabriek W.A. Hoek te Schiedam

Ingenieur Willem Adriaan Hoek, grondlegger van de Machine- en Zuurstoffabriek W.A. Hoek N.V. te Schiedam, werd op 14 september 1870 te Goes geboren. Hij behaalde in het Duitse Bingen zijn ingenieursdiploma en vestigde zich op 32 jarige leeftijd in Rotterdam. Hier construeerde hij in 1907 een stoomvrachtwagen en dat betekende tevens de grondslag voor zijn bedrijf. Deze stoomvrachtwagen, zijn eerste uitvinding, had als bijzonderheid een stoomketeltje van kleine afmeting en gering gewicht, maar met een groot verwarmend oppervlak en een buitengewoon snelle stoomontwikkeling als gevolg van de geringe waterinhoud en zeer sterke circulatie. Eén en ander was eenvoudig te demonteren en kon als een soort vulkachel vanaf de bestuurderszitplaats met cokes worden gevuld.

Ook de stoomproductie kon door de bestuurder met een eenvoudige voetbeweging geregeld worden. De horizontale compound – stoommachine ontwikkelde maximaal 40 pk en de stoomdruk bedroeg 11 kg/cm2. Door de afgewerkte stoom te verhitten produceerde deze machine nagenoeg geen stoom en rookwolken en men kon met voldoende voorraad cokes aan boord en een volle watertank met deze wagen 6 uur lang vol belast rijden. Uit een bericht in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 15 augustus 1907 blijkt dat ook toen reeds aandacht werd geschonken aan het milieu. Vermeld wordt namelijk dat door de afgewerkte stoom te verhitten bereikt werd, dat “stoom en rook nagenoeg onzichtbaar zijn.”

De eerste wagen werd gebouwd voor rekening van J. & A. van der Schuyt, een bekende Rotterdamse rederij, gevestigd aan de Maaskade Oostzijde te Rotterdam. Op een dag in augustus 1907 vond de eerste proefrit plaats. Met een maximum snelheid van 8 km. per uur denderde de 2,5 ton wegende “stoomsleperswagen” met zijn zware ijzeren artilleriewielen over de Rotterdamse kinderhoofdjes. De wagen was 6,2 meter lang en 1, 95 meter breed en men kon er 4 à 5 ton op kwijt. Het stuurwiel bevond zich rechts en de snelheid van de wagen werd met een voetpedaal geregeld, een soort gaspedaal eigenlijk.

De stoommachine en de watertank waren onder de wagen aangebracht en de stoomketel voorop onder een soort motorkap, alles keurig weggewerkt, dit in tegenstelling met de toenmalige Engelse stoomwagens, waar alles zichtbaar was.

Lange zware bladveren moesten de bestuurder enigszins het gevoel geven dat de schokken van de met ijzer beslagen wielen op de straatkeien wat afgezwakt weden en remmen kon zelfs ook nog! Daartoe waren twee zeer krachtige remmen op de differentiaal as aangebracht en een schroefrem met blokken op de door een dubbele ketting aangedreven achterwielen.

De proefritten verliepen tot volle tevredenheid, ook toen de wagen beladen werd  met 90 zakken meel (4500 kg). In het krantenbericht valt te lezen dat: “Blijft de wagen, die nu in gebruik genomen wordt goed voldoen, dan heeft de firma Van der Schuyt het voornemen haar tegenwoordige wagens door dit nieuwe voertuig te vervangen.” En inderdaad resulteerden de proefritten in een opdracht tot levering van zes van deze wagens.

De heer Hoek was echter een voorzichtig man en hij vond dat er met deze stoomwagen nog te weinig ervaring was opgedaan om direct een zo grote serie op te zetten. Hij besloot om eerst twee stuks te bouwen en daarvoor een fabriekje te zoeken, dat beter ingericht zou kunnen worden dan de werkplaats waar het eerste prototype was gefabriceerd. Met financiële steun van de heren Van Rietschoten en Slotboom, van de firma Van Rietschoten en Houwens te Rotterdam, werd het mogelijk op 1 oktober 1907 een fabriek te openen in een uitgebroken branderij aan de Buitenhavenweg te Schiedam. In deze fabriek werden, ondanks vele tegenslagen nog vijf van deze stoomwagens gebouwd. Maar daar bleef het dan ook bij, want de automobielen met een benzinemotor wonnen het toch langzamerhand definitief van de stoomwagens. [4]

De stoomauto voorzien van het kenteken N-744

De stoomauto, kenteken N-744, in dienst bij Wegenbouwer Vissers te Drunen (foto: Jan van Nispen, datum niet bekend. Collectie Regionaal Archief West-Brabant)
De stoomauto, kenteken N-744, in dienst bij Wegenbouwer Vissers te Drunen
(foto: Jan van Nispen, datum niet bekend. Coll. Regionaal Archief West-Brabant)

Eén van de gebouwde stoomwagens werd in 1908 verkocht aan Wegenbouwer Vissers, gevestigd te Drunen in Noord-Brabant. Deze stoomwagen werd voorzien van het kenteken  N-744. [5] Deze wegenbouwer gebruikte de stoomwagen voor het vervoer van keien voor de weg van Sint Willebrord via Sprundel, Scherpenberg en Schijf naar de Belgische grens. Deze weg werd aangelegd tussen maart en november 1908. [5] Wat er verder met deze stoomauto is gedaan, is niet bekend. Ook is niet bekend hoe deze auto bij de RTM terecht gekomen is.

Iets over kentekens
Tussen de jaren 1906 en 1951 was aan het kenteken van een auto of  motor te zien uit welke provincie de eigenaar afkomstig was. Iedere bestuurder moest vanaf 1 januari 1906 een "nummerbewijs voor motorrijtuig" hebben, dat door de Commissaris van de Koningin van de provincie, waar men woonde, verstrekt werd. Het nummerbewijs begon met een letter, gevolgd door een nummer. Voor de Provincie Zuid-Holland waren de letter(s) H, HZ of HX. Voor de Provincie Noord-Brabant was dat de letter N. Eén en ander was het gevolg van de Wet van 10 februari 1905, Staatsblad 69, houdende Regeling van het verkeer op de wegen in verband met het gebruik van motorrijtuigen en rijwielen. De kentekens waren toen eigenaar gebonden en niet voertuig gebonden, zodat een voertuig als het van eigenaar veranderde ook een nieuw kenteken kreeg.

Naast het nummerbewijs moest men een rijbewijs hebben. Een rijbewijs kon men in die tijd op aanvraag gewoon afhalen bij de Provinciale Griffie, zonder examen te doen. [5]

De stoomauto bij de RTM

Bron: Collectie NVBS-Railverzamelingen, Amersfoort
Bron: Collectie NVBS-Railverzamelingen, Amersfoort

Wat wel bekend is, staat vermeld op bladzijde 19 van het RTM verslag over het jaar 1913: “Voor de besteldienst van de stoomtramwegen te Rotterdam werd een tweedehands stoomwagen overgenomen, die aanvankelijk wel voldoet.” De hierna afgebeelde foto van de RTM nr. 1 laat zien dat het kenteken nog N-744 is. Dit zal waarschijnlijk niet lang geweest zijn en de foto zal dan ook kort na de aanschaf zijn gemaakt. Het meest voor de hand liggende is dat de RTM een nieuw provinciaal kenteken heeft aangevraagd bij de Provincie Zuid-Holland. Het is echter niet bekend welk provinciaal kenteken deze stoomwagen heeft gekregen.

Begin 1916 werd een gewijzigde overeenkomst met de gemeente Rotterdam voor de huur van een deel van het Gemeentelijk Handelsterrein aan de Rosestraat te Rotterdam, alwaar het goederenstation en het depot Rotterdam gevestigd zijn, ondertekend. De RTM begon direct met uitbreidingswerken op het meerdere in huur verkregen terrein. Met deze werkzaamheden kwam men klaar in 1917. [6] Er werd een nieuwe werkplaats met magazijn en schaflokaal en nieuwe kolenloods gebouwd. De bestaande locomotievenloods met de werkplaats, het magazijn en de locomotieven – bergplaats werd omgebouwd tot één locomotievenloods. Ook werd een nieuwe locomotievenbergplaats gebouwd. [7] In laatst genoemde bergplaats bevond zich een Bergplaats v.d. stoomwagen. Zie detailtekening.

Detail van een 1916 gedateerde tekening van  het Handelsterrein te Rotterdam, betreffende een “Bergplaats v.d. stoomwagen”
Detail van een 1916 gedateerde tekening van het
Handelsterrein te Rotterdam, betreffende een “Bergplaats
v.d. stoomwagen”

Een ernstig arbeidsongeval
Door een bedrijfsongeval op het Handelsterrein te Rotterdam kwam de bestuurder van de stoomauto van de RTM om het leven. Tijdens het laden van briketten raakte hij bekneld tussen het perron van de kolenloods en de tender van een rangerende stoomlocomotief. Met zware inwendige kneuzingen werd hij naar een ziekenhuis gebracht, waar hij aan de gevolgen is overleden. [8] Het slachtoffer was de weduwnaar Jan Tijl, 47 jaar oud. Gewoond hebbend Zinkerweg 12b te Rotterdam. Op zijn persoonskaart van het Rotterdamse bevolkingsregister was zijn beroep autobestuurder RTM. [9] Hij overleed te Rotterdam op 2 januari 1918. [10]

Verantwoording
Met dank aan Ton Dijkers, die dit verhaal nakeek en, waar nodig, corrigeerde en voor het verstrekken van gegevens. Ook ben ik dank verschuldigd aan de Stichting NVBS – Railverzameling (Frits Spee) voor het belangeloos een scan van de RTM stoomauto ter beschikking te stellen. Als laatste dank ik Kees van Schenk Brill voor het verstrekken van gegevens over de Provinciale kentekens.

Voor dit verhaal werden de volgende bronnen geraadpleegd:

[1]: RTM jaarverslag 1913, bladzijde 19
[2]: RTM jaarverslag 1918, bladzijde 22
[3]: Nieuwe Rotterdamsche Courant d.d. 15 augustus 1907
[4]: Info CONAM “Contactgroep Auto- en Motorrijwiel Historie”
[5]: Site: “De auto van m’n opa” en aanvullende info Regionaal Archief West-Brabant
[6]: RTM jaarverslag 1916, bladzijde 12
[7]: RTM jaarverslag 1917, bladzijde 15
[8]: RTM jaarverslag 1918, bladzijde 28 en Nieuwe Vlaardingsche Courant d.d. 5 januari 1918
[9]: Bevolkingsregister Rotterdam (Stadsarchief Rotterdam)
[10]: Overlijdensakte uit het Overlijdensregister Gem. Rotterdam (Stadsarchief Rotterdam)

Kenteken bij dit verhaal

N-744

Door bezoekers

Reageer